Begrippenlijst
snelle definities (cursus‑taal)
TERMINOLOGIE

Wat bedoelen we eigenlijk?

Dezelfde woorden worden vaak door elkaar gebruikt. Hieronder de definities zoals we ze in de cursus hanteren.

Kernbegrippen

AI (Artificial Intelligence)

Verzamelnaam voor systemen die “intelligente” taken doen (redeneren, plannen, taal).

Machine Learning (ML)

AI‑deelgebied dat leert uit data. Je programmeert niet het antwoord, maar het leerproces.

Neuraal netwerk

Model‑architectuur (veel parameters) die patronen leert door training op voorbeelden.

LLM (Large Language Model)

Model dat tekst (en soms beeld/audio) voorspelt. In basis: “volgend woord/token” voorspellen.

Token

Stukje tekst dat het model verwerkt. Alles in één gesprek (instructies + chat + docs) kost tokens.

Context window

Het “werkgeheugen” van een LLM: wat het tegelijk kan meenemen. Groter ≠ automatisch beter.

Hallucinatie

Model geeft overtuigend een onjuist “feit”. Meestal door te weinig/ruisige context.

Prompt

De opdracht die je geeft. In onze cursus: opdracht + context + input + output‑format + grenzen.

Agent

LLM‑gedreven systeem dat (semi)autonoom stappen kan nemen: plannen → tools gebruiken → bijsturen.

Coworker

Een agent/prompt die je “vastzet” als workflow: herhaalbaar, toetsbaar, met vaste output en regels.

Copilot (M365)

Copilot in Word/Outlook/Teams/PowerPoint, met toegang tot jouw M365‑data via rechten.

Copilot Studio

Platform om eigen copilots/agents te bouwen (flows/connectors) en te publiceren.

Tip: als je merkt dat je langs elkaar praat: wijs één term aan en pak deze lijst erbij.